HaïtiHaïtiHaïtiHaïtiHaïtiHaïti

Amerikaanse bezetting HaitiVan 1915 tot 1934 is Haïti bezet door Amerikaanse mariniers. In die periode besturen presidenten en regeringen die zich voegen naar de wil van hun machtige buurman het land. De Amerikaanse bezetting brengt rust en vooruitgang in Haïti. Tegelijk heerst er veel verzet tegen en onvrede over de bezetting. Als de Amerikanen in 1934 het land verlaten ervaren velen dat als een tweede onafhankelijkheid.


Op 28 juli 1915 gaan 330 mariniers van de USS Washington aan land op Haïti. Hun missie is om de hoofdstad binnen te trekken en de haven en de commerciële wijk de bezetten. Ze ondervinden nauwelijks weerstand. Een van de mariniers is sergeant Faustin Wirkus. In zijn boek 'De blanke negerkoning' vertelt hij over zijn ervaring: "Dat was niet prettig. Het stonk er. Het toverland was een varkenskot geworden. En wat nog erger was, wij waren niet welkom. Dat voelden we even duidelijk als wij de stank uit de goten roken."Het was echter niet de eerste inbreuk op Haïti's grondgebied. Een paar maanden eerder, in december 1914, ging op klaarlichte dag een detachement mariniers aan wal in de haven van Port-au-Prince. De soldaten marcheerden naar de Nationale Bank van Haïti en namen voor $500.000 aan goud mee en keerden weer terug naar hun schip. Als reden voor deze inval gaven de Amerikaanse autoriteiten op dat het goud in beslag was genomen als borg voor leningen (en rentebetalingen) van de Haïtiaanse overheid aan Amerikaanse banken. Amerika was Haïti's belangrijkste handelspartner en de Nationale Bank werd min of meer geleid door Amerikanen.

Aanleiding interventie
De directe aanleiding voor de interventie in 1915 zijn de onlusten in Port-au-Prince na de moord in de gevangenis op een grote groep mulatten en de daaropvolgende lynchpartij van president Vilbrun Guillaume Sam. De Amerikanen claimen te hebben ingegrepen om de openbare orde te herstellen en om Amerikaanse burgers en handelsbelangen te beschermen. Er zit echter meer achter. Al sinds de invoering van de Monroe Doctrine (1823) streven de Verenigde Staten naar heerschappij in Midden Amerika. In 1904 wordt de Monroe Doctrine uitgebreid met de Roosevelt Corollary, die er op neer komt dat de Verenigde Staten zich beschouwen als de politieman van de hele regio en waar nodig kunnen ingrijpen. In dat kader valt ook hun interventie in Haïti te begrijpen. Hieraan liggen militaire en economische motieven ten grondslag. Ze willen de rol van de Europese landen (vooral die van Duitsland) op Haïti terugdringen; ze willen geen onrust in hun achtertuin en ze willen meer economisch profijt van Haïti trekken. Omdat de vermoorde president Sam zich kort voor zijn dood had schuil gehouden in de Franse ambassade bestond ook de kans dat ook Frankrijk militaire actie zou ondernemen. Dat moest voorkomen worden.

Presidenten
De Amerikanen steunen een nieuwe regering onder leiding van president Dartiguenave (1916) en later de presidenten Borno (1922) en Vincent (1930). Een verdrag, dat in het najaar van 1915 door de Haïtiaanse regering onder druk van de Verenigde Staten wordt geaccepteerd, zorgt achteraf voor een legitimatie van de interventie. Bij de goedkeuring van het verdrag spreekt Dartiguemave de volgende woorden: "houdt in herinnering dat in het moment van onze diepste wanhoop de machtige en edelmoedige natie van Noord Amerika ons ongeluk zag en medelijden met ons had. In naam van menselijkheid en universele broederschap reikten ze ons de hand van vriendschap en hulp." In het begin is het verzet tegen de bezetting beperkt. Vooral de rust en het stoppen van het revolutionaire geweld van de voorafgaande jaren worden gewaardeerd. Het verzet tegen de bezetting neemt echter gaandeweg toe. De Amerikanen verspelen de nodige goodwill door de invoering van de 'corvee' – de verplichte (maar wel betaalde) deelname van de bevolking aan het herstel van openbare wegen en door de veelal racistische, superieure houding van de blanke militairen. Ook houden de Amerikanen alle financiële instellingen van het land onder hun controle.

Charlemagne Péralte
In de zomer van 1918 begint een opstand onder leiding van Charlemagne Péralte, een caco-leider uit de omgeving van Hinche. In het daaropvolgende voorjaar is deze beweging uitgegroeid tot 5.000 man en het lukt de Haïtiaanse Gendarmerie niet meer haar in te dammen. De hulp van de Amerikaanse mariniers is nodig. De mariniers hebben een moeizame taak te verrichten. Ze patrouilleren In kleine groepen. Uiteindelijk wordt Përalte op 31 oktober 1919 neergeschoten tijdens een gewaagde infiltratieactie van kapitein Hanneken en luitenant Button. In mei 1920 wordt een andere belangrijke leider – Benoit – omgebracht en in de zomer is de opstand onder de duim. Zo'n 3.200 cacos geven zich over. Op Haïti ontwikkelt zich dan een meer intellectuele beweging tegen de blanke overheersing. Deze beweging benadrukt de Afrikaanse wortels van de Haïtiaanse samenleving en roept op tot een tweede onafhankelijkheid. Deze beweging verzet zich niet alleen tegen de blanke Amerikaanse bezetters, maar ook tegen de mulatten die door de Amerikanen bevoorrecht worden. De plattelandsdokter François Duvalier is een van de woordvoerders van deze beweging.

Resultaten bezetting
De Amerikanen zetten zich ondertussen in voor een verbetering van de leefomstandigheden en modernisering van de samenleving. Er worden wegen en bruggen aangelegd. De havens worden opgeknapt en er komen nieuwe scholen en ziekenhuizen. Het onderwijs en de gezondheidszorg worden hervormd. De Amerikanen zorgen ook voor een sterker gecentraliseerd overheidsgezag in Port-au-Prince. Hierdoor krijgt de regering meer grip op de regio's (vooral het opstandige noorden), van waaruit veel staatsgrepen werden uitgevoerd. Ook zorgen de mariniers voor de opbouw van een professioneel leger. De mariniers schaffen het oude leger af en ontwapenen de soldaten. In plaats daarvan komt de Gendarmerie. Het is de taak van de Gendarmerie om de binnenlandse veiligheid te waarborgen. In 1928 wordt de Gendarmerie omgevormd tot de Garde d'Haïti en krijgt zij naast politietaken ook legertaken. Op het platteland wordt het systeem van chefs de section ingevoerd. De chefs de section moeten de orde handhaven binnen hun gebieden. Tijdens het latere regime van de Duvaliers zijn zij belangrijke steunpilaren voor de dictators.
De bezetting – waarbij de Amerikanen de voorkeur geven aan samenwerking met mulatten – vergroot de bestaande kloof tussen zwart en mulat en versterkt het verlangen naar een krachtig eigen leiderschap.

Een nieuwe start?
Het begin van het einde van de Amerikaanse bezetting start eind jaren twintig. Studenten aan de landbouw faculteit in Damiens staken en in Les Cayes gaan mensen de straat op. Tijdens deze demonstatie in Les Cayes openen mariniers het vuur op de betogers. Een tiental mensen komt om het leven. In Amerika klinken in de politiek en in de publieke opinie inmiddels kritische geluiden over de bezetting. Naar aanleiding van de onrusten bezoekt een onderzoekscommissie – de commissie Forbes - Haïti. De commissie komt tot de conclusie dat het tijd is voor democratische verkiezingen en dat de Amerikanen zich geleidelijk zullen terugtrekken. De commissie is van mening dat het land nog niet klaar is om zichzelf te besturen. In de loop van 1930 worden verkiezingen gehouden en Stenio Vincent wordt de nieuwe president. De Amerikanen nemen vervolgens vier jaar de tijd om het bestuur van het land te Haitianiseren. Ondertussen houden ze de financiële touwtjes stevig in handen. Ook onderhandelden ze met Vincent over blijvende invloed na hun vertrek. Washington krijgt een 'fiscale vertegenwoordiger' in de Haïtiaanse regering. Deze vertegenwoordiger heeft aanzienlijke macht: hij controleer de douanebelasting, inspecteert de belastinginning en moet toestemming geven voor het veranderen van tarieven en belastingen. Ook kan hij beperkingen opleggen aan overheidsbestedingen. De functie zou blijven bestaan zolang Haïti een lening uit 1922 nog niet had afbetaald. De functie verdwijnt pas in 1941 en tot 1947 blijft de Banque Nationale d'Haïti onder Amerikaans toezicht.