HaïtiHaïtiHaïtiHaïtiHaïtiHaïti

Magloire en Roosevelt1934 was het jaar van de 'désoccupation', de beëindiging van de in 1915 begonnen Amerikaanse bezetting. In zijn jaarlijkse regeringsrede sprak president Sténio Vincent over "het jaar van de Tweede Onafhankelijkheid". Toch bleef Haïti nauw verbonden aan de Verenigde Staten. Kleur- en sociale klasseverschillen zorgden voor politieke spanning, evenals de opkomende communistische en zwart nationalistische beweging.

 

Vincent was in 1929 president Borno opgevolgd. Hij had zich in de jaren twintig laten horen als een tegenstander van de bezetting. Dit maakte hem populair. Ook slaagde hij er tijdens de eerste vijf jaar van zijn ambtsperiode in om de uiteenlopende politieke groeperingen – vaak gevormd op basis van kleur- en klasseverschillen – bij elkaar te houden. Zo ontstond een relatief stabiele politieke situatie. Na het vertrek van de Amerikanen begon Vincent zich echter steeds autoritairder op te stellen en hij kondigde al snel de staat van beleg af. Hij gebruikte de Garde d'Haïti om de oppositie te bedreigen en indien nodig op te sluiten. Midden jaren dertig had hij zich ontwikkeld tot een krachtige verdediger van Amerikaanse belangen in de regio en de Verenigde Staten waren Haïti's belangrijkste handelspartner. Hij zorgde ervoor in 1935 herkozen te worden.

Communisme en indigénisme
De nationalistische beweging die in de jaren twintig was ontstaan tijdens de Amerikaanse bezetting splitste zich in de jaren dertig op in twee richtingen. Een deel van de jonge intellectuelen voelde zich aangetrokken tot het marxisme. Vincent ervoer de opkomst van de marxistisch beweging als een bedreiging voor zijn regering. Kort na het vertrek van de Amerikanen werd de Parti Communiste Haïtien (PCP) opgericht. Een andere groep intellectuelen verenigde zich binnen de indigéniste / noirisme beweging, waaronder Duvalier. Hun beweging ontwikkelde zich tot die van de Griots en kenmerkte zich door een zwart raciaal bewustzijn met ruimte voor autoritair leiderschap, een zich afzetten tegen de economische en maatschappelijke dominantie van mulatten (waaronder Vincent) en een herwaardering van de Afrikaanse wortels van de Haïtiaanse cultuur.

Slachting Rivière Massacre
In de jaren dertig voerden de Verenigde Staten hun 'Good Neighbour Policy'. Amerika zegde toe niet te zullen interveniëren in de binnenlandse aangelegenheden van buurlanden. Dit non-interventie beleid vergemakkelijkte het ontstaan van autoritaire regimes. Als deze regimes zich vervolgens ook nog aan de kant van de VS schaarden als anti-communisten en anti-nazisten, dan kregen ze vrij spel om hun eigen macht uit te breiden. Zowel Vincent op Haïti als Trujillo in de Dominicaanse Republiek wisten handig gebruik te maken van deze vrijheid. In de Dominicaanse Republiek leidde dit in 1937 tot een massamoord op 15.000 Haïtianen in het grensgebied (slachting bij de Rivière Massacre). De reactie van de Haïtiaanse regering was lauw en terughoudend. Ook profiteerde de regering financieel van een goede relatie met Trujillo. Het 'conflict' werd op diplomatieke wijze opgelost door een schadevergoeding van €750.000 in januari 1938.

De moordpartij - en de erop volgende slappe Haïtiaanse reactie - zorgden voor onrust binnen het leger en leidden tot samenzweringen om Vincent aan de kant te zetten. Vincent probeerde de couppogingen te verijdelen door op belangrijke posities in het leger eigen mensen neer te zetten en verdachte militairen te executeren. In de Verenigde Staten pleitten politici om in te grijpen in Haïti. Met nieuwe verkiezingen in aankomst besloot Vincent uiteindelijk om terug te treden.

Elie Lescot
Op 15 mei 1941 werd Elie Lescot president van Haïti. Hij was sterk pro-Amerikaans. Om zijn machtspositie te verstevigen benoemde hij zichzelf per decreet tot hoofd van de Garde d'Haïti en kreeg zo controle over benoemingen en belangrijke beslissingen bij militaire aangelegenheden. Ook plaatste hij blanke en licht gekleurde leden van de elite in belangrijke overheidsfuncties. Na de Japanse aanval op Pearl Harbour verklaarde Haïti de oorlog aan Duitsland, Italië en Japan. Lescot wilde hiermee Haïti onder de aandacht van de geallieerden brengen en militaire en financiële steun vanuit de Verenigde Staten krijgen. Met deze steun zou hij de positie van de heersende oligarchie versterken. In 1942 schortte hij de grondwet op en kreeg hij van het parlement onbeperkte uitvoerende macht. In 1944 kondigde Lescot aan dat hij zijn termijn met zeven jaar zou verlengen, de grondwet zou herzien en dat parlementaire verkiezingen zouden worden opgeschort tot na de oorlog.

Anti bijgeloof campagne
Op economisch terrein ging het niet goed met Haïti. Een groots opgezet project voor de productie van rubber voor de Amerikaanse oorlogsindustrie mislukte. Haïti bleef achter met een enorme schuld, duizenden onteigende en verarmde boeren en verlies van tienduizenden hectares aan vruchtbare landbouwgrond. Gelijktijdig leidde de bananenindustrie een kwijnend bestaan, en was de markt voor koffie vanwege de oorlog ingestort. Tijdens Lescots regeringsperiode vond in 1942 een omvangrijke door de rooms-katholieke kerk geleide anti-bijgeloof campagne plaats tegen de voudou. Via een systematische campagne op het platteland werd geprobeerd om alles wat met voudou te maken had te vernietigen. Voudou tempels werden afgebroken en heilige voorwerpen verbrand. Voudou aanhangers moesten hun 'bijgeloof' afzweren.

Les 5 Glorieuses
Eind 1945 stond het regime van Lescot op instorten. Het laatste zetje werd gegeven door een studentenstaking die op maandag 7 januari begon. De opstand was voorbereid door een groepje jonge marxistische intellectuelen Lescot gaf opdracht aan het leger om de mensenmassa's koste wat het kost uiteen te drijven, maar de legerleiding weigerde en nam contact op met de Amerikaanse ambassade. Drie militairen (Levelt, Lavaud en Paul Magloire) vormden het Conseil Exécutif Militaire en dwongen Lescot op 11 januari tot aftreden en vertrek uit Haïti. De dagen werden Les 5 Glorieuses de Janvier genoemd; het was een vreedzame omwenteling

Dumarsais Estimé
Na een felle verkiezingsstrijd werd de zwarte kandidaat Dumarsais Estimé van de Parti Populaire Nationale, die vooral de zwarte middenklasse vertegenwoordigde, tot president gekozen. De PPN beschouwde 1946 als de derde nationale revolutie, na die van 1804 en 1930. Ze beschouwden dit moment als de bevrijding van de zwarte meerderheid en het verlies van de macht van de bourgeoisie. De verwachtingen over Estimé (Titime) waren hoog. Eindelijk een zwarte president die zou opkomen voor de belangen van de zwarte middenklasse en de grote zwarte massa stedelingen en plattelandsbevolking. Estimé stimuleerde het zwarte nationale bewustzijn.

Estimé verbeterde het onderwijssysteem, waardoor mensen uit de zwarte middenklasse meer kansen kregen. Ook op sociaal terrein was zijn regering actief: er werden wegen aangelegd, alfabetiseringscampagnes gehouden en een volkstelling uitgevoerd. In de grondwet werd de vrijheid om vakbonden op te richten opgenomen en diverse wetten om arbeiders te beschermen. Het ministerie van arbeid werd een van de belangrijkste ministeries. Het minimum dagloon werd verhoogd van 1,5 naar 3,5 gourdes per dag. Er kwam wetgeving op het terrein van kinderarbeid en werk voor vrouwen, er kwam een vorm van arbeidsinspectie voor het platteland en er was aandacht voor sociale zekerheid.

Vanuit de Verenigde Staten werd de regering Estimé met wantrouwen bekeken. De koude oorlog was in volle gang en Amerika wenste zo min mogelijk communistische activiteit in haar achtertuin. Amerikaanse functionarissen beoordeelden (onterecht) het radicale noirisme als een vorm van communisme. Het echte gevaar voor Estimé kwam echter van de kant van het leger. Paul Magloire had politieke ambities. Aan het einde van zijn termijn probeerde Estimé de macht in handen te houden door een tweede termijn af te dwingen. Een inval van pro-Estimé demonstranten in de Senaat – gevolgd door een ontbinding van de Senaat - leidde tot een staatsgreep.

Paul Magloire
Magloire had zijn zinnen gezet op het presidentschap, en met de boodschap dat hij de 'burger-soldaat' was die voor nationale eenheid zou zorgen, werd hij de eerste militaire president sinds 1915. Hij kreeg 99% van de stemmen. Hij had de steun van de bourgeosie, van de kerk, van Amerika en in 1951 sloot hij een anti-communistisch verdrag met aartsvijand Trujillo. Magloire was vastbesloten de touwtjes van het leiderschap stevig in handen te houden. In 1954 noemde hij zijn stijl van regeren het 'kansonfèrisme'. Kanson fè betekent ijzeren broek. Het leger was in zijn persoon in handen van de staat. Onder het mom van de strijd tegen het communisme kregen linkse groepering het zwaar te verduren onder Magloire.

De periode onder Magloire wordt vaak gezien als de 'Gouden Jaren'. Magloire probeerde op pragmatische manier de economie uit het slop te helpen door het toerisme te bevorderen en nieuwe industrieën aan te trekken. In werkelijkheid ging het bergafwaarts met Haïti en de nationale schuld nam vanaf het midden van de jaren 50 sterk toe, onder andere vanwege het dalen van de koffie prijzen. Hurricane Hazel bracht in 1954 veel schade toe. Er was sprake van een toenemende trek van plattelanders naar de stad, wat voor de nodige sociale onrust zorgde. De export liep op alle fronten terug en de ontbossing nam toe. Ook was er veel corruptie en nepotisme. Midden jaren 50 had de regering de steun van alle partijen verloren.

In 1956 startte de presidentiële campagne voor de opvolger van Magloire. Onder druk van de omstandigheden kondigde Magloire al op 12 december 1956 zijn aftreden aan. De verkiezingsperiode was chaotisch en bracht het land op de rand van complete anarchie. Uiteindelijk bereidde een driehoofdige militaire junta, onder leiding van Kébreau, de verkiezingen voor. Duvalier won de verkiezingen van 22 september met 679.884 stemmen, tegen 266.992 stemmen voor Déjoie en Jumelle 9.980 stemmen.

Lees uitgebreider over deze periode