Oude wijn in nieuwe zakken: Haïti na de revolutie

Oude wijn in nieuwe zakken: Haïti na de revolutie

In 1804 maakte de Haïtiaanse revolutie een einde aan de Franse overheersing. Zou het nieuwe Haïti de kans krijgen een onafhankelijk bestaan op te bouwen?

boekbespreking
Boekbespreking
:

Rethinking the Haitian Revolution
Slavery, Independance and the Struggle for Recognition
Alex Dupuy
Rowman & Littlefield (2019)

In zijn nieuwste boek over Haïti richt socioloog Alex Dupuy zich op de grondleggende periode uit de geschiedenis van het land – de Haïtiaanse revolutie. Deze periode wil hij nog eens grondig overdenken - daarom de titel Rethinking the Haitian Revolution - om beter te begrijpen wat de sociaaleconomische impact is geweest van deze cruciale gebeurtenis. Volgens Dupuy is de Haïtiaanse Revolutie (1791 – 1804) de meest radicale revolutie van de 18e eeuw geweest en een epische gebeurtenis. De Amerikaanse Revolutie (1776) en de Franse Revolutie (1789) gingen over zelfbestuur en vrijheid, gelijkheid en broederschap, maar ze beperkten deze thema’s tot witte mensen en naties. De Haïtiaanse Revolutie ging erom dat deze thema’s voor alle mensen golden, en niet alleen voor mensen met een bepaalde huidskleur of behorend tot een bepaalde sociale klasse. De overwinning van zwarte slaven op de witte koloniale grootmachten zorgde dan ook wereldwijd voor veel onrust en werd gevoeld als een bedreiging voor de bestaande sociaal-economische wereldorde. Overigens heeft de revolutie maar beperkt effect gehad op de emancipatie van slaven in de rondom Saint-Domingue gelegen kolonies en in Amerika. De revolutie kan echter, volgens Dupuy, wel omschreven worden als de “eerste belangrijke klap die aan het verfoeilijke systeem van onderdrukking en exploitatie werd uitgedeeld” (p.71). Tegelijk moet ook gezegd worden dat zij de “scheiding in de samenleving tussen overheersers en onderdrukten, tussen uitbuiters en uitgebuitenen niet aanpakte of oploste” (p.71).

Kapitalistische wereldeconomie

Slavernij – op Saint-Domingue en elders – was onderdeel van de toenmalige kapitalistische wereldeconomie. Saint-Domingue was in de 18e eeuw het kloppende hart van dit systeem. De slaven produceerden (vooral) landbouwproducten die hun weg vonden in de westerse wereld. Niet alleen planters en handelaars profiteerden van hun arbeid, maar ook havensteden in Frankrijk en industriële sectoren, zoals suikerraffinaderijen, scheepsbouwers en producenten van ijzer, touw, textiel, meel, kookolie etc.  In 1789 exporteerde Frankrijk voor 78 miljoen aan goederen naar de West-Indische eilanden, terwijl de koloniën voor 218 miljoen aan suiker, koffie, cacao, hout en indigo importeerden. Van die 218 miljoen was 71 bedoeld voor de eigen Franse consumptie en de rest werd (na bewerking) geëxporteerd.  

Onmenselijke berekeningen

Het opzetten van een (suiker)plantage kostte veel kapitaal (land, gebouwen, machines en slaven), maar in tijden van vrede kon deze investering in acht jaar worden terugverdiend – en dan hoefde nog niet eens alle grond gebruikt te worden. Zolang de aanvoer van nieuwe slaven verzekerd was, hadden plantage-eigenaars geen reden om mechanisatie door te voeren. Vanuit economisch oogpunt was het verstandig om alles uit de slaven te halen wat er in zat en ze daarna te vervangen door nieuwe slaven. Volgens Dupuy werden er op Saint-Domingue zeker technologische innovaties toegepast (irrigatie en suikerraffinage), maar “het kopen van meer en meer slaven om ze tot aan hun dood te exploiteren bleef de belangrijkste basis voor de productiviteit van de kolonie en haar immense welvaart” (p. 26). Op basis van “puur onmenselijke zakelijke berekeningen kozen plantage-eigenaars op Saint-Domingue ervoor om hun slavenpopulatie gemiddeld iedere tien jaar te vernieuwen” (p.26).

Strijd op leven en dood

Witte plantage-eigenaars gebruikten de slaven uitsluitend om welvaart te creëren voor hen zelf en voor de koloniale mogendheden. Hun handelen werd moreel gelegitimeerd door de gangbare westerse visie (ook die van filosofen als Hegel) op Afrikanen als niet gelijkwaardig aan witte mensen. Ze werden ontmenselijkt en beschouwd als wilden en barbaren. Door hen in slavernij te voeren kregen ze de kans om zich te ontworstelen aan de jungle en meer Europese waarden aan te nemen. Dupuy omschrijft de relatie tussen meester en slaaf als een strijd op leven en dood. De revolutie van 1791 maakte op radicale wijze een eind aan deze meester-slaaf relatie, al kwamen er weer andere overheersingsvormen voor in de plaats. Dupuy merkt op de slaven tijdens de revolutie niet zo zeer  vochten om van de blanke meester verlost te worden, maar vooral om zich te bevrijden van iedere vorm van (gedwongen) arbeid voor wie dan ook. De strijd ging dan ook door toen de leiders van de revolutie, te beginnen met Toussaint Louverture en gevolgd door Dessalines, Christophe, Pétion en Boyer, niet van plan waren om het plantagesysteem te ontmantelen.

Nieuwe heersers

Vanaf het moment dat Toussaint Louverture rond 1800 aan de macht kwam verzette hij zich tegen het afschaffen van de plantages en probeerde hij daarentegen de productie van exportgoederen (suiker, katoen, indigo) nieuw leven in te blazen. Hij dwong de voormalige slaven weer terug te keren naar de plantages om daar nu in loondienst te werken. De voormalige slaven onttrokken zich hieraan door de bergen in te vluchten en zich daar te vestigen en door in opstand te komen tegen Toussaint Louvertures gezag. Dupuy: “Het was hun doel om eigenaar of bezitter te worden van een eigen stukje grond om te produceren en te consumeren wat ze voor zichzelf en hun gezin nodig hadden en om de rest op de markt te ruilen”(p.66). De leiders van de opstand hadden echter een ander doel: de nieuwe heersers over de kolonie worden, “om de bezittingen van de koloniale planters - die door de overheid geconfisqueerd waren - over te nemen en het koloniale plantagesysteem in stand te houden door de voormalige slaven om te vormen tot betaalde arbeiders”(p. xix). De nieuwe heersers slaagden hier echter niet in.

In stand houden plantages

Toussaint Louverture had als doel om van de slaven vrije Franse burgers te maken en Saint-Domingue onderdeel te laten blijven van Frankrijk, maar dan wel onder zelfbestuur. Het plantagesysteem moest in zijn ogen in tact blijven om welvaart te creëren. Hij verzette zich om die reden tegen voormalige slaven die zich als vrije boeren wilden vestigen. Op militaire wijze dwong hij de voormalige slaven om terug te keren naar de plantages. Tegenover de Fransen was hij welwillend. Hij deed een beroep op Franse plantage-eigenaars om weer terug te keren. Hij realiseerde zich dat Saint-Domingue de kennis, het kapitaal en de contacten van de Fransen nodig had. Deze visie leidde tot conflicten met andere leiders van de opstand, zoals generaal Moïse, die zich verzette tegen terugkeer van de slaven naar plantages onder Frans toezicht en die pleitte voor meer verdeling van grond, en later Dessalines, die weliswaar, net als Toussaint Louverture, het plantagesysteem in stand wilde houden, maar niets moest hebben van de Fransen.

Verdeelde bourgeoisie

De nieuwe heersers vormden een sterk verdeeld kamp met enerzijds de ‘nieuwe vrijen’, overwegend zwarte leiders, officieren en beambten. Deze mensen hadden zich de verlaten plantages toegeëigend en vormden een nieuwe bezittende klasse.  Ze wendden hun politieke en militaire invloed aan om bezit te verwerven en om de voormalige slaven weer aan het werk te krijgen – nu als betaalde arbeider op de plantages. Anderzijds waren er de ‘oude vrijen’, vooral mulatten die al voor de revolutie vrije burgers waren en plantage en slaven bezaten. Beide groepen streefden naar zeggenschap en macht over de kolonie. De ‘nieuwe vrijen’ meenden dat zij gezien hun huidskleur de meest passende vertegenwoordigers waren van de zwarte bevolking en daarom het recht op de macht hadden. De ‘oude vrijen’ meenden dat zij de meest capabele leiders waren. De strijd tussen beide fracties van de heersende groep is vaak omschreven als een kwestie van ras en huidskleur (zwart versus mulat), maar volgens Dupuy is dat een te oppervlakkige conclusie. Net als tijdens de koloniale periode werd huidskleur gebruikt als middel om de suprematie van een bepaalde groep te accentueren. Kleur markeerde (of maskeerde) het werkelijke klassenonderscheid. Er was volgens hem sprake van een onderling gevecht om de macht tussen deze fracties enerzijds en een gezamenlijk strijd tegen de zwarte massa van de bevolking anderzijds. De Haïtiaanse Revolutie creëerde een “nieuwe, maar verdeelde, inheemse bourgeoisie die de ondergeschikte klassen zou uitbuiten en zich de door hen geproduceerde welvaart zou toe-eigenen, zoals alle kapitalisten doen, terwijl ze ondertussen beweerden te regeren in het belang van de natie”(p.88). Het was oude wijn in nieuwe zakken.

Speelbal van buitenlandse naties

Dupuy meent dat de almaar voortdurende interne conflicten en machtsstrijd tussen de verschillende heersende groepen er voor gezorgd hebben dat Haïti zich in de 19e eeuw economisch niet goed kon ontwikkelen en dat zij door hun interne verdeeldheid een speelbal zijn geworden van buitenlandse naties en belangen. Dupuy: “De zwakte, verdeeldheid en conflicten tussen fracties van de heersende klasse stelden hen bloot aan manipulatie door en uitbuiting van buitenlandse regeringen en hun handelselites die hun invloed op, en uiteindelijk hun overheersing van Haïti’s regering en economie wilden veiligstellen” (p. xxi).

Schadeloosstelling

In 1825 kwam president Boyer met de Franse regering overeen om de voormalige plantage-eigenaars een schadeloosstelling van 150 miljoen francs te betalen. De afspraak omvatte ook nog allerlei handelsprivileges voor de Fransen. In 1838 werd het bedrag – toen er overigens al 30 miljoen francs betaald was – teruggebracht tot 60 miljoen francs. In 1883  betaalde Haïti het laatste deel van de in totaal 90 miljoen francs hoge schadeloosstelling. Haïti’s instemming met deze schadeloosstelling leidde tot de officiële erkenning van de republiek door Frankrijk en in haar kielzog andere westerse naties (met uitzondering van het Vaticaan en de Verenigde Staten). De overeenkomst maakte een einde aan Haïti’s internationale isolatie. Volgens Dupuy werd Boyers besluit om in te stemmen met de overeenkomst niet ingegeven uit angst voor een nieuwe inval van de Fransen – al dreigden zij wel met geweld. Boyer realiseerde zich dat de politieke wil in Frankrijk voor een dergelijke onderneming ontbrak en dat het land er ook geen militaire middelen voor had. Boyer, zo meent Dupuy, had twee redenen: a) het belang om erkend te worden en zo weer te worden opgenomen in het internationale handelsverkeer; b) de kwestie van het overgenomen grondbezit te regelen. Met de deal werd legaal en formeel geregeld dat de grond en de onroerende goederen, die voorheen Frans bezit waren, in handen kwamen van nieuwe Haïtiaanse eigenaars, dat wil zeggen: voor een groot deel in handen van de elite. De deal was “in werkelijkheid een massale overdracht van eigendom naar de mulatten en de zwarte elite”, citeert Dupuy de Franse historicus Brière (p. 114). Door van de schadeloosstelling een nationale schuld te maken, moesten alle Haïtianen vervolgens opdraaien voor de kosten ervan. Dupuy wil hiermee aangeven dat het niet zozeer de pressie vanuit Frankrijk was die Boyer deed zwichten voor een gedwongen overeenkomst, maar dat het een voor de nationale elite gunstige deal was – een soort van gentlemen’s agreement tussen de bezittende klassen uit Frankrijk en Haïti. 

Economische ontwikkeling 19e eeuw

In veel studies wordt volgens Dupuy gesuggereerd dat de schadeloosstelling een zware wissel heeft getrokken op Haïti’s economische ontwikkeling in de 19e eeuw. Dupuy zet daar vraagtekens bij. Belangrijker dan de schadeloosstelling waren de onmacht van de leiders om de boeren terug naar de plantages te krijgen en nieuwe infrastructuur te ontwikkelen, en hun voortdurende onderlinge machtspelletjes en -strijd. Deze interne verdeeldheid - die verwoord werd in racistische terminologie van de strijd tussen mulat en zwart - maakte het leiderschap kwetsbaar voor manipulatie van buitenlands kapitaal en buitenlandse regeringen. Ook het lenen van grote bedragen – onder onvoordelige voorwaarden en vergezeld gaand met veel corruptie – maakten de Haïtiaanse regering afhankelijk van buitenlands kapitaal. Het politieke kolonialisme werd dan wel verslagen op de slagvelden van Saint-Domingue, het keerde met succes terug in de vorm van financiële overheersing.